woensdag 21 september 2011

One Night Stand

Sinds ik een relatie heb met Tjarda , mijn lievelingsvriendin, heeft ze een onstilbare huisdierenwens. Ik ken het niet, maar zij is van jongs af aan gewend om huisdieren om haar heen te hebben. Op zich is het best aandoenlijk, al die hartverscheurende anekdotes over zacht spinnende wezentjes die ‘s avonds heerlijk op je schoot komen zitten. Maar op de een of andere manier heb ik er niks mee. Ik vind het rare eigenwijze beesten die totaal hun eigen gang gaan, niet komen als je ze roept en precies als je er niet om vraagt je aandacht opeisen. Schijnbaar weten ze dat van mij, want waar ik ook kom, ze weten me altijd weer te vinden. Op elke verjaardagsvisite, in elk huis waar ik binnenstap en er een katachtige heerser aanwezig is klimmen ze ongevraagd op mijn schoot en dringen ze zich op hun eigenwijze en vooral kattige manier aan mij op.


Er zijn een aantal voorvallen geweest, waarin het wel of niet aanschaffen, aannemen, adopteren en/of overnemen van een huisdier ter sprake is gekomen. Ik heb dit altijd met stijve poot en starre blik succesvol de kop weten in te drukken. Een aantal weken geleden heeft Tjarda zelfs de buurtkat die ’s avonds altijd tegen onze tuindeur aanschurkt naar binnen weten te lokken. Omdat het zo hard regende. Dat was zielig. Zat ze gezellig in de keuken met een grote badhanddoek die kat droog te deppen. Ik kwam een kijkje nemen, en moet toegeven, het was best aandoenlijk om te zien hoeveel liefde een mens kan hebben voor een beestje. Toen ik er bij kwam zitten sprong het beest zelfs nog even op mijn schoot. Zo leuk! Het was gelukkig van korte duur, de kat verkoos de plensende regenbui toch boven de heerlijk warme keukenvloer. En ik maar denken dat katten niet van water hielden.

Zodra de kat vertrokken was begon Tjarda zich als een bezetene te ontdoen van alle haren en andere onzichtbare toebehoren. Dit zijn voor mij altijd de momenten dat ik het zeker weet. WE NEMEN GEEN HUISDIEREN. Is niet goed voor mij, niet voor Tjarda en boven alles niet goed voor de kat zelf. Ik weet het. Ze kunnen er niks aan doen, het ligt niet aan hun. Ik hou gewoon niet van katten.

Tot we gister middag bij Oma Pipi waren. Ze heeft deze bijnaam gekregen van Quinten om de verschillende oma’s uit elkaar te houden en is vernoemt naar, je raad het al, Tjarda’s oude kat. Oma Pipi’s huis werd verbouwd, een en al stoffigheid en ongemak en het zou nog wel een aantal weekjes gaan duren. Voor niemand een pretje maar toen gebeurde het onvermijdelijke. Ik hoorde in de verte de woorden zielig, traumatisch en logeren al vallen. Ik had het moeten weten, mijn Stalinistische gezicht moeten trekken en de auto moeten starten. Maar nee hoor, Erik, pleasure pur sang trapt er met beide benen en open ogen in en zwichtte. Ik hoor het mezelf nog zeggen wetende dat ik gewoon me kop had moeten houden. “Ja hoor, het is goed. Pipi mag bij ons logeren.” Was alleen helemaal vergeten allerlei voorwaardes te stellen aan deze logeerpartij. Wie doet de kattenbak, mag de slaapkamerdeur dan dicht zodat het lieve beestje mij de nachtrust niet onmogelijk maakt, wat nou als de kat ons pas vernieuwde zeil aan gruzelementen trekt, enz, enz.

Het was al te laat, het leed was al geschied, we namen een kat in huis. Spijt komt altijd na de zonde. Spartelend en stribbelend laadde ik de kattenbak, kattengrid, brokjes en weet ik veel wat nog meer in de auto en bedacht me dat ik een aantal spannende weekjes voor de boeg had. Flarden van zinnen als “eindelijk mijn poes weer terug” en “niet meer teruggeven” draaiden rondjes in mijn hoofd en ik realiseerde mij dat er een wonder moest geschiedde voor ik ooit weer een zorgeloos en huisdiervrij bestaan kon gaan leiden. Als laatste hulpeloze redmiddel maakte ik met Tjarda de afspraak dat mocht ze zich realiseren dat het eigenlijk toch niet zo’n heel goed idee was, dat ze het eerlijk zou vertellen en dat we het hele verhaal weer ongedaan zouden maken.

Toen alles goed en wel geïnstalleerd was en de kat al een uurtje of twee weggedoken achter de kast gebivakkeerd had, deed ik een poging om het toch nog leuk te vinden. Ik ging op zoek naar de kat. En zowaar, hij kwam achter de kast vandaan en gaf me wat befaamde kopjes. Ik aaide hem over zijn bolletje en dacht bij mezelf, misschien valt het allemaal wel mee. Oh oh.. Het zal toch niet. Ik zit hier toch niet een kat leuk te vinden. Rustig blijven. Niet te snel conclusies trekken. Het kan geen kwaad het een eerlijke kans te geven, maar zo snel ga ik niet overstag ‘s Avonds zelfs nog eventjes geprobeerd om de kat van boven naar beneden te halen. Met gevaar voor eigen leven en vlijmscherpe nagels in mijn rug trotserend de kat opgetild, maar zodra zijn pootjes de huiskamer raakten schoot ie alweer naar boven toe om zijn plekje achter de kast op te zoeken. “Hij komt vanzelf wel te voorschijn als ie beetje gewend is“, vertelde Tjarda mij. “Neem vooral je tijd” dacht ik bij mezelf.



Bij het slapengaan, ik was het hele fenomeen eigenlijk al vergeten, kwam de kat eventjes polshoogte nemen. Nocturnal als ze zijn had ze blijkbaar de moed gevonden om even rond te neuzen. Ik maakte nog een grapje dat ze vast aan mij kant van het bed het voeteinde op zou zoeken  om me te laten zien wie er wel niet de baas in huis was en met één oog open viel ik in slaap.

Tot ik midden in de nacht wakker werd. Droomde ik nou net over mijn ex vriendin met 3 katten die het verschil tussen kattenbak en wasmand niet wisten? Haar huis stonk zo erg dat ik een maand nadat het uit was nog steeds grommende honden achter me aan kreeg. Het leek wel of ik de penetrante lucht van kattenammoniak echt rook. Wat een nare gewaarwording. Ik dacht dat ik deze snelkoppeling naar eerdere trauma’s met succes uit mijn dromengeschiedenis had verwijderd. Maar nee hoor, ik rook het echt. KATTENPIS. Na Tjarda een flinke por gegeven te hebben, bedacht ik me dat het wonder zich op een hele vreemde manier toch nog had voltrokken. Ik besefte dat er niks anders op zat. Gewoon verder slapen..

‘s Morgens bij het krieken van de dag, hoorde ik Tjarda al kokhalzend vragen: Erik ruik je dat? Nee wat lief? Heb je al koffie gezet? Natuurlijk ruik ik dat. Het lijkt GVD wel of ik op de leeuwenrots in Artis lig te meuren. WAT EEN LUCHT!!! Ze sprong uit bed op zoek naar de oorzaak van het kwaad. Gelukkig. Het is alleen in de slaapkamer. Oh wat een mazzel. Dat is de plaats waar ik met enig geluk 8 uur per dag doorbreng. Stel je voor dat het gewoon in de kattenbak was geweest. Slaapdronken en zonder invloed van enige cafeïnehoudende versnapering kwam het leukste moment van mijn hele kattencarriëre. We mochten op onze knieën met blote handjes gaan voelen waar er zich een natte plek ontwikkeld had. En wonder boven wonder was er geen plek te bekennen. Dus net toen ik dacht dat ik het toppunt bereikt had mocht ik zelfs mijn reukorgaan gaan gebruiken op zoek naar de plas van het kwaad. Al snuffelend door de slaapkamer kwam Vrouwlief erachter waar zich de ramp had voltrokken. Als enige gerechtigheid in deze hele kwestie had ons schattige huisdier Tjarda’s vest gekozen als slaapplaats en had blijkbaar niet de moeite genomen om een sanitaire stop te maken op of nabij de kattenbak. Ze hield het vest voor zich uit en wist ook nog uit te brengen: “Hier ruik jij eens..” “Nee dank je” zei ik halfbrakend. “ik weet genoeg”

Ik ben er altijd trots op geweest dat ik me er nooit aan heb bezondigd. Maar zeg het nu met volle overtuiging. Ik heb een One Night Stand gehad. Met de kat van mijn schoon moeder.

Dag Lieve Pipi

Jammer dat je niet langer kon blijven….

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen